Postbus 622, 9400 AP Assen - Zwedenlaan 20-22, 9403 DE Assen
t +31 (0)592 345 188 - f +31 (0)592 372 431 - mail@rein.nl > googlemaps

Casus

De aannemer heeft een waarschuwingsplicht voor prijsconsequenties bij meerwerk

Het Hof Leeuwarden oordeelde in de uitspraak van 24 januari 2012 (LJN: BV 6686) over de waarschuwingsplicht van de aannemer voor prijsconsequenties bij meerwerk. De feiten waren als volgt. Er was sprake van een overeenkomst van aanneming van werk – te weten de sloop van een loods – die tot stand gekomen is tussen twee professionele partijen. Voor de overeengekomen sloopwerkzaamheden was een prijs overeengekomen.  De aannemer vorderde ondermeer betaling van meerwerk voor extra sloopwerkzaamheden. 

 

De aannemer stelde om drie redenen recht op betaling van het meerwerk te hebben. 1) In de offerte is al op mogelijk extra werkzaamheden gewezen en dat daarvoor een andere prijs moet worden gehanteerd. 2) De opdrachtgever is gebaat bij de werkzaamheden en de opdrachtgever had deze kosten sowieso moeten maken. 3) De opdrachtgever heeft de offerte aanvaard en daarmee ingestemd dat voor de extra werkzaamheden een meerprijs zou gelden.

 

Alle genoemde redenen werden echter door het Hof afgewezen. Het Hof oordeelde dat deze feiten de aannemer niet ontslaat van zijn verplichting om de opdrachtgever te waarschuwen voor de prijsconsequenties van het meerwerk. Die waarschuwingsplicht is niet nagekomen. Die verplichting vloeit voort uit artikel 7:755 Burgerlijk Wetboek. Het Hof wees op de ratio van de waarschuwingsplicht: het behoeden van de opdrachtgever voor vermijdbare kostenoverschrijdingen. Indien de aannemer de opdrachtgever tijdig wijst op het gevaar van kostenoverschrijding is de opdrachtgever in de gelegenheid om tijdig maatregelen te nemen om dit gevaar te beteugelen. Waar het op aankomt is of de opdrachtgever, een reëel inzicht heeft gekregen in de omvang van de concreet te verwachten meerkosten. Door de aannemer was echter niets concreets gesteld waaruit het Hof kon afleiden dat de opdrachtgever een reëel inzicht had in de te verwachten meerkosten.

 

Het achterwege laten van de waarschuwing leidde in dit geval tot verval van de aanspraak van de aannemer op vergoeding.  

Vechten tegen windmolens

In Drenthe en Oost-Groningen zijn initiatieven gestart voor de bouw van drie grote windmolenparken. In Drenthe gaat het om windparken De Drentse Monden en Oostermoer met een opgesteld vermogen van respectievelijk 350 tot 450 Megawatt en 120 tot 150 Megawatt. Het zou gaan om 120 windturbines met een ashoogte van 80 tot 135 meter. In Groningen gaat het om een windmolenpark langs de N33 (van 120 MW).

 

De Raad van State heeft onlangs de plannen voor 86 windturbines langs de dijken van de Noordoostpolder goedgekeurd. Het gaat om vier windparken in Urk met een gezamenlijk vermogen van 450 Megawatt. Wel oordeelde de Raad van State dat aan de besluiten enkele gebreken kleefden.  Dat betekent echter niet dat bezwaar maken tegen andere plannen voor windmolenparken geen zin heeft.

 

Voordat de bezwaren tegen de betreffende overheidsbesluiten aan de bestuursrechter ter beoordeling kunnen worden voorgelegd, moet er eerst een zienswijze tegen de ontwerpbesluiten worden ingediend. Immers beroep staat slechts open voor een belanghebbende die tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

 

Voor de windparken De Drentse Monden en Oostermoer wordt één milieueffectrapport (MER) opgesteld. Daarbij worden mogelijke milieueffecten in beeld gebracht. Het gaat dan ondermeer om het in beeld brengen van effecten ten aanzien van de leefomgeving. landschap, natuur, bodem en water. Het MER zal dienen ter onderbouwing van de overheidsbesluiten.

 

Om de windparken mogelijk te maken, moet het bestemmingsplan worden aangepast. Dat gebeurt door middel van een inpassingsplan dat wordt vastgesteld door de Ministers van EL & I en I en M. De plannen vallen onder de zogeheten rijkscoördinatieregeling van het ministerie van EL & I. Daarnaast zijn verschillende vergunningen nodig.

 

Beroep staat alleen open voor een belanghebbende. Bij de vraag wie als belanghebbende kan worden aangemerkt speelt het zogenaamde “afstand- en zichtcriterium” een rol. Het gaat dan om de afstand tussen de woning en de windturbines en het zicht vanuit de woning op de windturbines. Zo werd in een situatie waarin de woning was gelegen op een afstand van 1.500 meter  van de turbine en er geen of nauwelijks sprake was van zicht op de turbine, bepaald dat betrokkene geen belanghebbende was. Het gevolg is dan dat het beroep niet ontvankelijk wordt verklaard. Bij een afstand van ongeveer 1.000 meter tussen de woning en de turbine en rechtstreeks zicht, werd betrokkene wel aangemerkt als belanghebbende.

 

Gaat het om een rechtspersoon die beroep wil instellen, dan is voor de vraag of deze rechtspersoon belanghebbende is, relevant de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden. Bepalend is of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.In de Urk-uitspraak werd Gaasterlân als belanghebbende aangemerkt ondanks het feit dat haar territoriale doelstelling is beperkt tot de gemeente Gaasterlân-Sleat. Hierbij werd in aanmerking genomen dat het gelet op de ruimtelijke uitstraling van de windturbines, het niet uitgesloten is dat het rijksinpassingsplan ondanks de afstand tussen het plangebied en de gemeente Gaasterlân-Sleat gevolgen kan hebben voor de natuur-, landschaps- en milieuwaarden als omschreven in de statutaire doelstelling van Gaasterlân.

 

Het is bekend dat enkele gemeenten en de provincie Drenthe niet zondermeer met de beoogde windparken kunnen instemmen. De rijksoverheid heeft echter de regie genomen over de plannen. De initiatiefnemers van de windparken hebben de rijksoverheid aan hun zijde in verband met de kabinetsdoelstelling van 14% duurzame energie in 2020. Bewoners in Drenthe en Groningen zullen zich onder andere afvragen of een goed woon- en of leefklimaat (cumulatie van geluid, gezondheidseffecten, slagschaduw) wel is gewaarborgd en of hun woning in waarde zal dalen. Ook zijn er vragen over nut en noodzaak en wat de gevolgen zijn van de landschapsvervuiling voor de recreatiesector. Don Quichot zag windmolens voor reuzen aan en begon onvervaard het gevecht tegen de giganten. De strijd tegen de windmolenparken in Urk is gestreden. Dit geldt echter niet voor de windmolenparken in Groningen en Drenthe.

 

Wetsvoorstel Bestrijding betalingsachterstanden bij handelstransacties

In Europese regelgeving zijn verdere maatregelen genomen tegen te late betaling tussen bedrijven en door de overheid. De nieuwe Europese regelgeving moet het nog onaantrekkelijker maken om te laat te betalen. Dat is goed nieuws tegen slecht betalende klanten, maar als je zelf een factuur niet betaalt kan dat voor grote risico’s zorgen.

De Europese regels gelden niet direct, EU landen moeten deze regelgeving omzetten in eigen wetgeving. In dit geval hebben de EU landen de verplichting om deze nieuwe Europese regelgeving uiterlijk 16 maart 2013 om te zetten in een nationale wet. Op 16 januari 2012 is bij de tweede kamer een wetsvoorstel ingediend waarin de maatregelen zijn opgenomen. Het kabinet probeert de wet al op 1 juli 2012 in te laten gaan.

De belangrijkste maatregelen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen zijn:

• een minimumvergoeding van 40 euro voor invorderingskosten;

• een maximumbetaaltermijn voor overheidsinstanties van in beginsel 30 dagen;

• een maximumbetaaltermijn voor handelstransacties tussen ondernemingen van in beginsel 60 dagen;

• een maximum verificatieperiode ( voor goedkeuring van geleverde goederen of diensten) van in beginsel 30 dagen;

• een verhoging van de wettelijke handelsrente met 1 procentpunt (ook nu is deze al veel hoger dan de normale wettelijke rente);

• het stellen van grenzen aan de contractsvrijheid met de introductie van een regeling van kennelijk onbillijke contractbepalingen en kennelijk onbillijke praktijken.

Deze nieuwe maatregelen geven wellicht aanleiding om nog eens goed naar jouw betalingstermijnen/algemene voorwaarden te kijken en eerder een advocaat in te schakelen bij geschillen over facturen. Rein kan je daarbij helpen.

Wat kun je bereiken als je weinig op papier hebt staan?

Je begint samen aan een nieuw avontuur. Je zet bij het begin van de samenwerking weinig tot niets op papier. De samenwerking blijkt zeer succesvol, maar de andere partij wil alleen verder. Heb je een poot om op te staan?

 

De cliënt van Rein vertegenwoordigde al jaren een Amerikaanse producent van auto- onderdelen en was daar heel succesvol in geworden. Inmiddels bestond meer dan 75 procent van de miljoenenomzet van het bedrijf uit de verkoop van de onderdelen van die ene Amerikaanse toeleverancier. Uit voorzichtigheid was bij het begin van de samenwerking alleen op papier gezet dat de samenwerking eenvoudig en zonder schadevergoeding kon worden beëindigd: de ene partij hoefde de overeenkomst alleen tijdig op te zeggen bij de andere partij.

 

En dat deed de Amerikaanse producent ook. Hij meende zelf zijn producten wel op de Europese markt te kunnen verkopen: daarmee zou hij zich de marge van zijn Nederlandse distributeur kunnen besparen. Hij nam een medewerker van de distributeur in dienst, huurde voor hem een kantoor en een magazijn en deelde vervolgens aan de Nederlandse distributeur mee dat hij werd bedankt. Omdat er was afgesproken dat bij het einde van de samenwerking over en weer niets verschuldigd was, zag de situatie voor de distributeur er beroerd uit. Lichtpuntje was echter dat de medewerker een non-concurrentiebeding had en de Amerikaanse producent daarvan ten onrechte zou profiteren.

 

Rein ging overtuigend het gesprek aan met de Amerikaanse en Nederlandse advocaten van de producent en wist een gunstige regeling af te dwingen. De distributeur kon hierdoor de waardeloos geworden voorraden toch nog met winst verkopen.

 

Resultaat van de betrokkenheid van Rein: de distributeur krijgt de tijd en de financiële mogelijkheden voor een nieuwe start en verdere groei.

Jouw koper wil van de koop af. Wat nu?

Je denkt een mooie deal gemaakt te hebben. De koper is akkoord met je voorwaarden en niets lijkt een goede afwikkeling in de weg te staan. Dan verandert de situatie en wil je koper van de koop af. Wat nu? Een casus die gaat over geiten, maar die net zo goed over auto’s of andere goederen had kunnen gaan…

De koop was gesloten. De koper wilde de geiten naar Zweden exporteren. Dat kon echter niet wanneer de beesten een van twee ziekten onder de leden zouden hebben. Vandaar dat hij als voorwaarde stelde dat ze hiervoor gekeurd moesten zijn. De verkoper had dit laten doen: de Nederlandse autoriteiten had de geiten geschikt bevonden voor export. Kort voor levering ontdekte de koper echter dat de dieren ook vrij moesten zijn van een derde ziekte. De Nederlandse autoriteiten hadden hier niet op gecontroleerd. De koper weigerde vervolgens de geiten af te nemen en ze te betalen, omdat hij niet zeker wist of de Zweedse douane import wel zou toestaan.

De belangrijkste uitdaging van Rein was om te achterhalen wat beide partijen nu waren overeengekomen en van elkaar mochten verwachten. Bewijsmogelijkheden en bewijslastverdeling zijn daarbij van groot belang. In opdracht van de verkoper heeft Rein de koper aansprakelijk gesteld voor de schade. Die bestond uit twee onderdelen: de misgelopen winst en de extra voederkosten. De koper vond echter dat de verkoper ondeugdelijke geiten wilde leveren (in juridische termen heet dit ‘non conform’), of dat sprake was van dwaling. Hij stelde de verkoper aansprakelijk voor schade die hij geleden zou hebben doordat hij nu geen geiten had, maar wel een melkboerderij had gekocht.

Uit het onderzoek van Rein bleek dat de koper niet kon bewijzen dat hij van tevoren een eis had gesteld over keuring voor deze ziekte. De summiere koopovereenkomst sprak daar niet over en ook de correspondentie voor de koop wees er niet op.

Resultaat van de betrokkenheid van Rein: de rechtbank wijst de vordering van de cliënt volledig toe. De tegenvordering van de wederpartij is afgewezen.

Verslaving en werk; het belang van een alcohol– en drugsbeleid binnen een bedrijf

Misschien ben je als werkgever er al eens mee in aanraking geweest; een werknemer die structureel met een flinke alcohollucht om zich heen op het werk verschijnt. Statistisch komt alcoholmisbruik en -verslaving bij een op de twaalf werknemers voor. Deze werknemers verzuimen vaker, hun productiviteit en de kwaliteit van hun werk is lager en hun verslaving kan zelfs in bepaalde functies leiden tot bedrijfsongevallen.

Genoeg redenen voor werkgevers om zich in te zetten om deze problematiek zoveel mogelijk te voorkomen. In de ogen van menig werkgever is alcoholmisbruik ook reden om tot ontslag van deze werknemer over te gaan. Het is echter niet zo heel makkelijk om een verslaafde werknemer te ontslaan. Verslaving aan alcohol en drugs pleegt in het civiele arbeidsrecht te worden aangemerkt als een ziekte. Dat betekent dat er een loondoorbetalingsverplichting geldt en dat het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing is.

Wanneer en onder welke voorwaarden kun je dan als werkgever wèl naar de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken? En wat kun je als werkgever doen om het risico van uitval (en schade) wegens alcohol- en drugsverslaving zo klein mogelijk te houden?

Bij het beantwoorden van deze vragen kan de STECR Werkwijzer ‘Verslaving en werk’ een rol spelen. In deze Werkwijzer worden richtlijnen gegeven voor werkgevers, bedrijfsartsen en verzekeringsartsen hoe om te gaan met verslaafde werknemers. Inmiddels is gebleken dat ook door kantonrechters en het UWV waarde wordt gehecht aan de STECR Werkwijzers.

De Werkwijzer ‘Verslaving en werk’ benadrukt de noodzaak om een alcohol- en drugsbeleid te voeren waarin aandacht wordt besteed aan:

- preventie (voorlichting en training);

- de regels die gelden met betrekking tot het gebruik van alcohol- en drugs. Hieronder vallen ook regels over wanneer een werknemer een alcohol- en/of drugstest moet ondergaan, wie de test afneemt, wat voor test etc. (met inachtneming van het recht op privacy en lichamelijke integriteit van de werknemer). Aan het overtreden van deze regels kunnen sancties gekoppeld worden (berisping, schorsing, ontslag etc.);

- begeleiding van verslaafde werknemers en sancties in geval van onvoldoende meewerken aan aangeboden begeleiding.

Uit de jurisprudentie blijkt over het algemeen dat het beleid in ieder geval aan drie eisen moet voldoen. Er moet ten eerste sprake zijn van een volstrekt helder beleid. Ten tweede moet dit beleid bij de werknemer bekend zijn en ten derde moet bij de werknemer bekend zijn welke sancties er gelden bij overtreding.

Kortom, de Werkwijzer biedt bruikbare richtlijnen en tips voor werkgevers hoe om te gaan met verslaafde werknemers en het formuleren van een alcohol- drugbeleid, dat aansluit op de rechtspraak. De Werkwijzer is te verkrijgen via de website van STECR (www.stecr.nl). Rein kan je helpen om dit beleid op te stellen en in te voeren.

Inkomensafhankelijke huurverhoging, snel handelen vereist?

Eind december is het wetsvoorstel huurverhoging op grond van inkomen bij de tweede kamer ingediend. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk voor verhuurders om bij huurders met een huishoudinkomen van minimaal

€ 43.000,- een extra huurverhoging (boven de inflatiecorrectie) tot 5% door te voeren. Het wetsvoorstel ziet enkel op huurwoningen uit de gereguleerde markt, de zogenaamde niet-geliberaliseerde huurwoningen.

Volgens het wetsvoorstel dient de verhuurder bij de Belastingdienst te achterhalen of op een bepaald adres het huishoudinkomen meer dan € 43.000,- bedraagt. De Belastingdienst heeft hiervoor de website www.inkomensafhankelijkehuurverhoding.nl in het leven geroepen. Indien het huishoudinkomen boven dit bedrag uitkomt en de verhuurder een verhoogde huurverhoging wil doorvoeren dient hij bij het voor huurverhoging noodzakelijke huurvoorstel een verklaring van de Belastingdienst hieromtrent te voegen.

Het wetsvoorstel beoogd het probleem van het scheefwonen aan te pakken. Van scheefwonen is sprake wanneer huurders met midden- en hogere inkomens in een sociale huurwoning blijven wonen. Op het moment heeft 1 op de 6 huishoudens in de gereguleerde markt een huishoudinkomen van meer dan € 43.000,-. Het wetsvoorstel moet er volgens het Kabinet voor zorgen dat er meer doorstroming plaats vindt in de woningmarkt, waarbij enerzijds de koopmarkt wordt gestimuleerd en anderzijds in de huurmarkt starters eerder een (sociale) huurwoning kunnen huren.

De huurverhoging mag er niet in resulteren dat de nieuwe huurprijs de maximaal redelijke huurprijs, welke per woning kan worden berekend middels een puntenstelsel, overstijgt. Het wetsvoorstel zal er dus vooral in resulteren dat huurprijzen van langzitters geleidelijk worden aangepast richting de maximaal redelijke huurprijs, de prijs die starters over het algemeen ook moeten betalen voor een huurwoning in de gereguleerde markt. Over het algemeen wordt aangenomen dat de maximaal redelijke huurprijs bij een huurwoning in de gereguleerde markt een goede prijs/kwaliteit verhouding tot gevolg heeft. Hierdoor is het nog maar de vraag of het wetsvoorstel daadwerkelijk doorstroming tot gevolg heeft en niet enkel het rechttrekken van de wanverhoudingen in huurprijzen tussen langzitters en nieuwe huurders.

De doelstelling van Kabinet Rutte is om de voorgestelde wet al voor 1 juli 2012, het tijdstip waarop over het algemeen huurverhogingen plaats vinden, in werking te laten treden. Hoewel de haalbaarheid van de geplande datum van inwerkingtreding nog maar zeer de vraag is doen verhuurders er goed aan reeds nu de nodige voorbereidingen te treffen. Om de huurprijs per 1 juli 2012 aan te kunnen passen volgens de nieuwe regeling dient het op het wetsvoorstel aangepaste voorstel tot huurverhoging immers uiterlijk eind april al bij de huurders op de mat te liggen.

Geadviseerd wordt dan ook om als verhuurder reeds nu de mogelijke voorbereidingen te treffen.

Jouw huurder betaalt wel, maar neemt jouw pand niet in gebruik. Wat kun je doen?

Je verkoopt je bedrijf: een populaire kledingzaak op een mooie, centrale locatie. De koper neemt de inventaris over en huurt vervolgens het pand van je. Direct naar de koop verplaatst hij echter de inventaris en laat je pand leeg staan. Hij betaalt de huur wel, maar je bent niet blij met een leegstaand pand. Kun je hier iets aan doen?

 

De cliënt was ontevreden dat zijn pand leeg staat: door de leegstand daalt het in waarde. Hij vroeg Rein of hij er iets tegen kon doen. Het antwoord was helder: op grond van de gesloten huurovereenkomst (en het ROZ-model) moet de huurder het pand ook echt gaan gebruiken. In juridische termen heet dat een exploitatieverplichting. De huurder handelt dus in strijd met de huurovereenkomst door het pand leeg te laten staan.

 

Rein nam contact op met de huurder en nodigde hem en de verhuurder uit voor een gesprek. In onderling overleg werd vervolgens besloten dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat beide partijen op zoek gaan naar een nieuwe huurder. De huurder compenseert bovendien de schade: de huur over de totale periode van leegstand en een compensatie voor waardedaling van het pand. De gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.

 

Resultaat van de betrokkenheid van Rein: de verhuurder wordt gecompenseerd voor zijn schade en kan op zoek naar een nieuwe huurder.

IJspret en aansprakelijkheid

De combinatie van deze woorden ligt niet meteen voor de hand. Immers, ijspret veronderstelt een zorgeloos zwieren over bevroren meren, vaarten of beekjes. Even vrij van de beslommeringen van alledag, onthaasten en genieten. Een eigen route uitstippelen of toch meedoen met die tourtocht over maar liefst 55 kilometer.

In deze sferen is een gedachte aan aansprakelijkheid niet erg waarschijnlijk. Tenzij je je als advocaat op het gladde ijs begeeft. Of als je – voorovergebogen, handen op de rug, in een hele sliert medeschaatsenrijders en met een behoorlijk vaart – met een doffe klap tot stilstand wordt gebracht en op het harde ijs terechtkomt. Lichamelijk letsel in meer of mindere mate kan dan het gevolg zijn. De ijspret is in ieder geval meteen afgelopen. Afhankelijk van de aard en ernst van de (gevolg)schade dient zich dan toch de vraag naar de aansprakelijkheid aan.

Is hier dan sprake van aansprakelijkheid in juridische zin? Deze vraag dringt zich nog meer op als blijkt dat de schaatsbotsing werd veroorzaakt doordat een medeschaatser het traject “tegen de stroom in” schaatste.…

De aansprakelijkheidsvraag hangt samen met de vraag of er sprake is van een onrechtmatige daad.

Het is goed te weten dat in het aansprakelijkheidsrecht niet geldt dat (de ernst en/of de aard van) schade meebrengt dat de gedraging waaruit zij is voortgevloeid om die reden onrechtmatig is. De gedraging moet dus op zichzelf worden beoordeeld.

In de rechtspraak is een onderscheid gemaakt tussen gevaarzettend gedrag - gedrag op zodanige wijze waarmee het risico van schade is verhoogd en welke gedraging de betrokkenen niet behoefden te verwachten - in het algemeen en gedragingen in een sport- of spelsituatie. In dat laatste geval worden gedragingen die letsel hebben veroorzaakt minder snel als onrechtmatig geduid. De reden is dat deelnemers aan een sport of spel in redelijkheid tot op zekere hoogte, gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten.

Hoe moet nu in het hierboven beschreven geval worden geoordeeld?

Zoals in alle gevallen waarin de vraag naar de onrechtmatigheid van een gedraging aan de orde is, is een nauwkeurige reconstructie van – de omstandigheden rondom – het ongeval van belang. Ik denk dat in de beschreven omstandigheden ervan moet worden uitgegaan dat er sprake was van een sport-/spelsituatie.

De volgende vraag is dan of de gedraging van de “spookschaatser” in redelijkheid moest of kon worden verwacht. Het lijkt mij dat dit in een vrije schaatstocht eerder kan worden gezegd dan in een georganiseerde tourtocht, waarbij het toch evident is dat alle deelnemers in dezelfde richting het traject afleggen. Toch is het de vraag of deze gedraging de in sport- en spelsituaties geldende, verhoogde drempel overschrijdt. Het hangt in hoge mate af van de feitelijke toedracht of de botsing kan leiden tot aansprakelijkheid of moet worden aangemerkt als een erg ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Nu de dooi is ingetreden kunnen juristen en verzekeraars zich weer buigen over aansprakelijkheidskwesties als deze.

Integratieheffing over eigen grond onrechtmatig?

In de praktijk doen zich nogal eens problemen voor bij ondernemers die vrijgestelde prestaties in de zin van de btw verrichten en op eigen (al dan niet recent aangeschafte) grond gebouwen realiseren of laten realiseren. Onder dergelijke omstandigheden leidt de integratieheffing tot een extra btw-heffing van 19% over de waarde van de grond. De grond is immers al eerder belast geweest met btw en/of voor vrijgestelde prestaties in gebruik genomen. Op 13 mei 2011 heeft ons hoogste nationale rechtscollege, de Hoge Raad, aan het Europese Hof van Justitie de vraag gesteld of deze belastingheffing zich verdraagt met Europese regelgeving.

 

In de voorgelegde casus was de belanghebbende een gemeente die zich onder meer bezighield met de van btw vrijgestelde verhuur van sportvelden aan sportverenigingen. De gemeente heeft in die situatie aan een aannemer een opdracht gegeven voor haar rekening een kunstgrasveld aan te leggen. Uitgaande van de vrijgestelde verhuur heeft de gemeente volstaan met het niet in aftrek brengen van de btw die drukte op de aanleg van het kunstgrasveld.

 

In de optiek van de inspecteur was de gemeente echter de integratieheffing verschuldigd bij de ingebruikneming van het kunstgrasveld en hij heeft de gemeente in die situatie dan ook een naheffingsaanslag opgelegd. Omdat naar het oordeel van de Hoge Raad onduidelijk is wat precies met de integratieheffing wordt beoogd, wil de Hoge Raad van het Europese Hof weten hoe de integratieheffing dient te worden uitgelegd.

 

Het vorenstaande impliceert dat als de gemeente in casu in het gelijk wordt gesteld, een besparing van 19% over de waarde van de grond wordt gerealiseerd. Onder dergelijke omstandigheden is het voor ondernemers die recentelijk een integratieheffing hebben aangegeven of binnenkort moeten aangeven in ieder geval gewenst hier – ter bewaring van rechten – tijdig bezwaar tegen te maken.

 

Indien je meer wilt weten over de integratieheffing neem dan contact op met Rein.

Hoe voorkom je een faillissement?

Je bent een groothandelbedrijf in stuksgoederen. Je hebt ernstige betalingsproblemen. De bank heeft je financiering opgezegd en de deurwaarders kloppen al aan. Je wilt de zaak redden. Wat doe je?

In zo’n situatie is het belangrijk dat je als ondernemer én als onderneming zo snel mogelijk rust geboden krijgt. Maar ook schuldeisers willen duidelijkheid. Dat begon toen Rein aangaf een reddingspoging te willen ondernemen. Als die faalt, dan doet dat afbreuk aan de naam van het kantoor. Rein doet dus zijn uiterste best. Betrokken partijen weten en begrijpen dit en dát maakt dat ze bereid zijn om enig geduld te betrachten. Hierdoor werd een reddingsplan mogelijk. Belangrijk is wél dat je goed blijft communiceren. Vandaar dus dat Rein duidelijke informatie en goede communicatie hoog in het vaandel heeft staan.

De volgende stap is het om tafel gaan met de ondernemer en met de bank. Rein heeft met de ondernemer een nieuwe strategie en een ander businessplan opgesteld: alle niet-renderende activiteiten en voorraden zijn afgestoten. De verkoop van de voorraad kent zijn eigen dynamiek, waarmee Rein zeer goed bekend is. Dankzij een goede analyse van de niet-rendabele activiteiten heeft ook het afstoten hiervan geld opgeleverd. Helaas moest het personeelsbestand worden afgeslankt, maar ook dit is gelukt dankzij de open en eerlijke gesprekken die Rein met de betreffende medewerkers heeft gevoerd.

Daarna was het de uitdaging om de herfinanciering van het businessplan rond te krijgen. Daarvoor moesten de crediteuren water bij de wijn doen. Rein heeft hiervoor namens de cliënt een voorstel geformuleerd en de onderhandelingen gedaan. Enkele grote crediteuren hebben een omzetting gehad in aandelen en de overige zijn akkoord gegaan met een goed onderbouwd saneringsplan. Een open transparante aanpak en een zuivere relatie met de fiscus helpt enorm in dergelijke trajecten.

Resultaat van de betrokkenheid van Rein: een gesaneerde, gezonde onderneming met toekomstperspectief.

Hoe bewijs je dat het jouw idee was?

Je hebt een prachtig concept voor een game bedacht, maar zoekt participanten en investeerders om ervoor te zorgen dat het een succes wordt. Je wilt deze partijen aan je binden. Je moet dus laten zien wat je verzonnen hebt, maar wilt niet het risico lopen dat zij er met je idee vandoor gaan. Hoe kun je je beschermen?

 

Samen met de cliënt heeft Rein een plan gemaakt waarmee het concept, de voorlopige uitwerking, maar ook bijvoorbeeld de (merk)namen zo goed mogelijk beschermd zijn. Gewapend met een opgestelde geheimhoudingsovereenkomst (inclusief boetebepalingen) ging de cliënt vervolgens gesprekken met potentiële investeerders aan. Helaas werd zijn grootste angst bewaarheid: een van de participanten ging er met zijn idee vandoor. En dan is de belangrijkste vraag: hoe bewijs je dat jij het idee eerder had dan de andere partij?

 

Rein had de broncode laten vastleggen als bewijs. Een goede stap, maar nog niet voldoende. Want dan nog moet bewezen worden dat de nieuwe software gebaseerd is op de programmatuur van de cliënt. Dat bewijs kon Rein gelukkig eenvoudig regelen omdat we onze cliënt hadden geadviseerd om zogenaamde ‘dummy’-regels in de software op te nemen: dat zijn spookregels zonder feitelijke functionaliteit. Deze komen dus normaliter niet in de software voor. Ook deze dummyregels waren goed vastgelegd. Toen ook deze dummyregels in de software van de wederpartij voorkwamen, was de zaak volkomen duidelijk. De rechter vond dat ook en gaf onze cliënt gelijk.

 

Resultaat van de betrokkenheid van Rein: dankzij een paar handige tips is het intellectuele eigendom van de cliënt gewaarborgd.

Hoe kom je uit een zakelijke impasse?

Samen met je echtgenoot heb je een onderneming: een vennootschap met naast aanzienlijk vermogen ook een groot personeelsbestand. Al jaren ben je met je partner in gesprek over de voortzetting of verdeling van de zaak. Punt van discussie: de waardering van de aandelen. Een goede uitkomst is belangrijk: het voortbestaan van de onderneming staat immers op het spel. Met alle gevolgen voor de werknemers van dien. Hoe kom je uit deze impasse?

Rein bood beide partners ‘mediation’ aan: een vorm van conflictbemiddeling waarbij een neutrale, goed opgeleide bemiddelaar beide partijen tot elkaar probeert te brengen om zo een rechtszaak te voorkomen. Dankzij de inbreng van de mediator van Rein kregen zowel man als vrouw beter inzicht in elkaars standpunten en kreeg het belang van de vennootschap, de werknemers en vooral de continuïteit een betere plek in de discussie. Uiteindelijk is dit slepende geschil in slechts drie mediation-sessies opgelost.

Resultaat van de betrokkenheid van Rein: een oplossing die fiscaal zo is vormgegeven dat het rendement voor beide partijen ook nog eens gunstiger uitpakt.

0592 345 188
#

Stel hier je vraag aan mij

betreft
jouw e-mail *
jouw telefoonnummer
jouw vraag/opmerking
#
ik ben rein Casus Faillisementen Links & downloads netlaw